Gevlucht
Kruien
Kap
Vang
Luiwerk
Stenen
Malen
Belt
Terug
|
De wieken worden in molenaarstermen gevlucht
genoemd.
Het gevlucht bestaat uit een binnen- en een buitenroe, die door de
askop heen steken. De roeden van de Bouwing hebben een lengte van 23,80
meter, in molenaarstermen wordt er van "vlucht" gesproken. Elke roede
heeft twee enden, waardoor het totale aantal enden c.q. wieken op vier
uitkomt.
De askop is een onderdeel van de as, waarbij de askop het enige stukje
as is wat aan de buitenzijde van de molen te zien is. De as loopt onder
een lichte helling naar binnen en wordt ondersteunt door twee lagers:
het halslager en de pen. Deze lagers zijn van hardsteen en hebben een
uitholling waardoor het draaiende gevlucht op zijn plaats blijft. De
hals en de pen worden gesmeerd met varkensreuzel.
Afhankelijk van de hoeveelheid wind, wordt er meer of minder zeil
gebruikt. Bij weinig wind worden de zeilen volledig voorgelegd: er is
sprake van "vier volle". Bij stormachtig weer blijven de zeilen
opgerold op de wieken zitten en wordt het onderste
bord van elk end uitgenomen. Er wordt gedraaid met "geknipte nagels".
Tussen deze uiterste standen, kan het zeil in meer of mindere mate
opgerold c.q. uitgerold worden. D.m.v. zwichtlijnen wordt de
zeilvoering aangepast. Het spreekwoord "ergens voor zwichten" komt dan
ook uit de molenwereld.
Op de rechterfoto is het vastgeknoopte zeil te zien. Daarbij is ook de
bliksemafleider te zien en de roeketting. Als de
molen draait is er geen bliksembeveiliging. De molenaar moet het weer
goed in de gaten houden en tijdig stoppen met draaien als er onweer
dreigt en de beveiliging handmatig aanbrengen. De roeketting wordt gebruikt
om de molen extra te borgen bij afwezigheid van de molenaar.
 |
Voordat er gedraaid kan gaan worden, moet de
molen
öp de wind gekruid worden". Het gevlucht draait optimaal als
de
wind recht van voren komt. Door simpelweg rond de molen te lopen, voelt
de molenaar waar de wind vandaan komt. Er kan natuurlijk ook naar de
windverwachting geluisterd worden, naar vlaggen of vaantjes gekeken
worden, en eventueel naar rook uit schoorstenen. De eerste manier is
echter de meest betrouwbare methode: als je geen wind voelt, moet het
gevlucht precies aan de andere kant van de molen komen te staan.
De kap met de wieken en de achterkant van de molen (de staart met de
kruilier) staat los op de romp van de molen. Doordat de kap zwaar is
(ongeveer 10 ton), blijft hij netjes op zijn plaats. Vroeger werd de
zijdelingse verplaatsing voorkomen door een kuip rondom de kap,
tegenwoordig worden er vaak een Engels kruiwerk toegepast: de rollen
tussen de kap en de romp zijn voorzien van een flens en worden d.m.v.
rails aan de bovenzijde van de romp en de onderzijde van de kap op de
plaats gehouden.
Het daadwerkelijk verplaatsen van de kap, het zgn. kruien, gebeurt met
de staart, de kruilier en de kruipalen. Door simpelweg de kruiketting
op de kruipaal te beleggen en aan de lier te draaien, komt de staart
steeds dichterbij de kruipaal en beweegt de kap zich naar de wind. Als
er geen ruimte meer is om verder te kruien, wordt de kruiketting op de
volgende kruipaal gelegd en begint het verhaal van voren af aan. Het
zal duidelijk zijn dat er om de hele molen kruipalen zijn aangebracht.
 |
De
bovenas bevindt zich in de kap van de molen. Op de bovenas zit aan de
buitenkant het gevlucht vastgewigd in de askop. Binnen in de kap zit er
een groot bovenwiel rondom de as bevestigd. Het bovenwiel heeft 55
kammen die op 27 staven van de bovenschijfloop ingrijpen. De
bovenschijfloop maakt onderdeel uit van de koningsspil (een spil is een
vertikale as), die er voor zorgt dat de ronddraaiende beweging naar
onderliggende zolders van de molen worden doorgegeven. De koningsspil
draait ruim twee keer zo snel rond als het wiekenkruis.
 |
De vang
De rem (vang) van de molen is voor het grootste
gedeelte in de kap van de molen aangebracht. Op foto 1 is een vangblok
te zien. Om het hele bovenwiel zitten vangblokken die met elkaar
verbonden zijn en d.m.v. de vangbalk tegen het ronddraaiende bovenwiel
gebracht kunnen worden waardoor de molen stil komt te staan.
Aan de andere kant van de vangbalk zit een ketting die weer verbonden
is met een wipstok (foto 2) die op zijn beurt aan de staartzijde
naar buiten steekt. Van hieruit loopt een
staalkabel met
een groot dik touw naar beneden (foto 3), waarbij de molenaar alleen
maar op beltniveau naar buiten hoeft te lopen om te molen te kunnen
vangen.
Op foto 1 is tevens de pal te zien. De pal is de tweetand die tussen de
kammen van het bovenwiel wordt aangebracht als de molen stil staat om
er voor te zorgen dat de molen bij afwezigheid van de molenaar en bij
verandering van windrichting, niet zelf gaat draaien. Als de
wind
namelijk 180 graden draait, wil de molen de andere kant op draaien en
werkt de vang niet optimaal.
 |
Onder
de kapzolder bevindt zich de luizolder. Op de luizolder is
vanzelfsprekend het luiwerk aangebracht. Met het luiwerk kan de
molenaar op windkracht of met de hand de zakken graan naar boven tillen. Er is een luitafel rondom de koningsspil
aangebracht (foto 1). Vanaf deze verdieping loopt er een touw tot aan
de begane grond. Door aan dit touw te trekken wordt het luiwiel op de
ronddraaiende luitafel gebracht en wind het touw zich op wat
vastgemaakt is aan de lui-as. Als de molenaar(sknecht) onder in de
molen een zak graan aan het touw bevestigd, wordt de zak d.m.v.
windkracht naar boven getakeld. In de onderliggende zolders zijn luiken
aangebracht, die vanzelf open gaan door de druk van de zak die naar
boven getrokken wordt. Door
aan het grote dikke touw te trekken van het gaffelwiel, kan een zak
graan met handkracht naar boven getild worden of kan het touwtje weer
naar beneden worden gebracht om de volgende zak graan op te hijsen.
 |
De
koningsspil eindigt op de steenzolder en rust op een draagbalk. De
koningsspil is d.m.v. een taats en een taatspot gelagerd in deze
draagbalk en draait in een oliebad. De draagbalk van "de Bouwing" is in
het verleden aangetast door ongedierte en is hiertegen behandeld: er
zijn plastic pluggen in de balk geslagen waardoor bestrijdingsmiddel is
gespoten. De beste bestrijding van ongedierte is simpelweg een
regelmatig gebruik van de molen: als de molen draait worden er
trillingen door de hele molen afgegeven en daar heeft ongedierte een
hekel aan. De huidige draagbalk is w.s. in de loop van de tijd
vervangen: aan de buitenzijde (oostkant) is te zien dat de stenen
weggehaald zijn om de balk te vervangen en dat er weer nieuw metselwerk
is aangebracht nadat de nieuwe balk is aangebracht.
Het
spoorwiel heeft 66 kammen, is aangebracht op het uiteinde van de
koningsspil en drijft twee steenschijflopen aan (met ieder 25 staven).
Deze schijflopen hebben een directe verbindingen met de stenen d.m.v.
het staakijzer. Als de wieken 1x ronddraaien, draaien de loperstenen
5,38 keer rond (55:27 x 66:25).
Op
de linkerfoto is te zien dat de kopse einde van de balken zijn aangoten
met epoxyhars: door de voortdurende inwerking van vocht op de kopse
einden, is er houtrot ontstaan. Aangezien de wind meestal uit het
(zuid)westen komt, zijn met name de balkkoppen aan deze zijde aangetast.
Op
de rechterfoto zijn de luiluiken te zien: de zakken graan drukken
tijdens het luien de luiken open, waarna de luiken weer vanzelf dicht
vallen. Op de middelste foto is de bok te zien: de zakken graan worden
tot op de bok gehesen en van hieruit geleegd in de kaar boven de
stenen. De kaar moet altijd graan bevatten om te voorkomen dat de
stenen droog malen wat een behoorlijke slijtage met zich mee
brengt en wat te merken is aan de brandlucht.
 |
De stenen
De molenaar spreekt van een koppel stenen: een
liggersteen en een lopersteen. De liggersteen ligt op de vloer en de
lopersteen ligt hier bovenop en draait rond. De aandrijving van de
lopersteen wordt door de schijfloop en het spoorwiel verzorgd. De
lopersteen is door de liggersteen heen gelagerd en kan d.m.v. een
balkenstelsel op de onderliggende zolder enkele millimeters gelicht of
bijgehouden worden waardoor er grof of fijn meel geproduceerd wordt. De
grofheid van het meel wordt ook bepaald door het bilsel wat op de
stenen is aangebracht. Het bilsel zorgt voor vermaling, transport en
ventilatie (afkoeling).
Het meel wordt door de kuipdelen tegengehouden en wordt door de
ronddraaiende lopersteen meegenomen waarbij het in een gat naar
beneden valt en opgevangen wordt in zakken.
Door het maalproces slijten de stenen. Op het bilsel weer te scherpen,
moeten de lopersteen van de liggersteen worden getild. De lopersteen
weegt ongeveer 1200 kg. D.m.v. de steenkraan met steenbeugels en gaten
in de zijkant van de stenen, wordt de lopersteen gelicht.

|
 |
 |
|
De maalzolder is een belangrijke zolder voor de
molenaar. Op deze zolder wordt het meel opgevangen in zakken
(en moeten de volle zakken verwisselt worden voor lege zakken) en
controleert de molenaar de grofheid van het meel. De afstand tussen de
ligger- en lopersteen is op deze zolder handmatig in te stellen en moet
ook continue in de gaten gehouden worden omdat bij een windvlag de
stenen "bijgehouden" moeten worden om een constante kwaliteit van het
meel te garanderen. Als de wind weer afneemt zullen de stenen weer iets
"gelicht" moeten worden. Om het proces van "lichten" en
"bijhouden" enigszins uit handen te nemen, zijn in "de Bouwing"
regelateurs aangebracht die binnen een zekere bandbreedte de
steenafstand automatisch regelen.
De molenaar kan op deze verdieping ook gemakkelijk naar buiten lopen om
te kijken hoe de weersontwikkelingen zijn: dreigt er onweer, draait de
wind, komen er buien aan, etc. De molen is op dit niveau tevens te
vangen, te kruien en de zeilvoering is aan te passen.
 |
Onder
de maalzolder bevindt zich bij "de Bouwing" de belt. Sommige molens
hebben helemaal geen verdieping onder maalniveau en worden grondzeilers
genoemd. Molen "de Korenbloem" in Zoelen is hier een voorbeeld van.
Andere molens hebben meerdere verdiepingen onder het maalniveau. Molen
"Op Hoop van Beter" in Ingen heeft bijvoorbeeld nog drie verdiepingen.
Het aantal verdiepingen onder maalniveau heeft te maken met de functie
van de molen, de windvang van de molen en de rijkdom van de molenaar.
Het grote voordeel van één of meerdere verdiepingen heeft
ook te maken met opslag en verwerking van meel. Daarnaast is het
gemakkelijk voor de aan- en afvoer van procucten: met paard en wagen
kon vaak door de molen heen gereden worden (vandaar dat molens vaak een
brede in- en uitgang hebben).
 |
|
|